Kunst, Design en Literatuur Online Shop (X=Y)

Rubriek: De raadsels en de man #02

We zitten aan tafel voor het raam, zijn handen lichtblauw geschubd en kalmpjes rustend op het rustieke hout. Ik knik. Zoals ik altijd knik. Het is een gewoonte geworden met hem mee te praten. Altijd wanneer hij stopt met zijn volzinnen voel ik de angst van een klein kind dat van zijn ouder krijgt te horen dat hij moet gaan slapen terwijl je nog midden in een spannend verhaal zit; ik wil niet dat het stopt.

Met de veters uit zijn schoenen heeft hij net een relaas gehouden over de verleden tijd en hoe het als een grote kijkdoos tegen de toekomst aan blijft duwen, het heden als de afscheiding waar het kijkgat in zit. Hij kijkt nu afwezig naar buiten.
De stilte die er dreigt te vallen vul ik meteen op: ‘M..maar je zegt dat de wereld toen compleet is veranderd. Zijn de mensen ook veranderd? Fysiek en mentaal?’ Mijn stem klinkt zweterig.
Hij merkt het niet en zegt: ‘Absoluut. Allebei. Sommige lui kozen ervoor om zich aan te passen, sommige niet.’ Hij pauzeert, maar plaatst een frons op zijn gezicht, wat betekent dat hij aan het denken is. Zijn lange haar lijkt te vibreren: kleine elektrische stroompjes die naar beneden druppelen als dauw op een tak. Traag vervolgt hij: ‘Een tijd terug is er een man geweest. In Zuid Duitsland, aan de rand van het Zwarte Woud.’
Mijn middenrif stoot een euforisch gevoel uit: het gaat verder!
‘Een man die apart was, vreemd misschien wel. Ik heb hem een keer ontmoet tijdens een doorreis.’
‘Ja’, zeg ik meegaand.

“Hij bleek zijn hart stil te kunnen zetten.”

‘Hij bleek zijn hart stil te kunnen zetten. Zo lang als hij wilde. Heel tegennatuurlijk. Eerst deed hij het kort, maar later steeds langer. Niemand wist hoe hij het deed. Hijzelf waarschijnlijk ook niet. Hij noemde het instinctief handelen en zei dat hij niet anders wist dan dat hij het kon.
Hij wilde op een gegeven moment testen hoe lang hij het maximaal zou kunnen voltooien, en het lukte hem – met een grijns – een dag, zelfs twee dagen. Alleen na de derde dag was hij opeens verdwenen en niemand kon hem vinden. Men fluisterde dat hij waarschijnlijk zijn hart niet meer aan de praat kreeg en in gêne richting de bossen gevlucht was. De bakker had hem namelijk die richting uit zien lopen voor het krieken van de dag. Ze speculeerden dat hij daar mogelijk zou afwachten of zijn hart weer zou gaan kloppen en dat hij tot die tijd zijn gezicht niet durfde te laten zien.
Regelmatig werd er ‘s nachts een schim aan de rand van het bos waargenomen. Er werd van uit gegaan dat het de man was die in heimwee naar zijn dorp keek.

Diezelfde avond vond ik mezelf op die aangewezen plek. De wens van de mens is als een rotte appel. Ik wilde misschien proberen de rotheid uit zijn klokhuis te snijden, het deed me pijn dat iemand zich niet durft te vertonen om een lichamelijke kwaal. Hoe futiel ook. Maar eerst moest ik hem vinden. Ik vroeg me af of hij wel uit zijn beschermde holletje zou durven treden als er, in zijn ogen, een potentieel roofdier voor stond. Het hield me niet tegen toch te gaan zoeken.
 Een paar uur verstreken en de mist die uit de grond naar boven kroop, nestelde zich op mijn voorhoofd en wangen; het klampte zich vast aan mijn warmte. Onder de donkere hemel glom mijn huid als kwik.

Het kraken van de takjes onder mijn voeten en het zoemende geluid van het bos creëerde een gevoel van zen. Er ging een rust van uit waar ik op inhaakte. Een snel verplaatsende wind greep me plots mee en liet me tussen de bomen door schieten, in hoog tempo en glibberig langs de stammen, om vervolgens naar boven over het bladerdak uit te schieten waar ik uitkeek over het uitgestrekte bos. Het vertelde me waar er holletjes bewoond werden, waar er bomen ziek waren, waar de insecten hard aan het werk waren om te overleven en waar er een ademhaling was. Het vertelde me alles. Dankzij de wind heb ik hem gevonden, niet ver van de rand van het bos, zo’n twintig minuten lopen.

“Weggepoeft als een goochelaar van het podium.”

Of het een natuurlijk verschijnsel is geweest kon ik niet achterhalen, de man brabbelde onsamenhangend en leek de weg eigenlijk een beetje kwijt. Maar ik merkte het rode vierkantje achter zijn rechteroor op. En ik weet dat het geen bewijs is, omdat iedereen dat tegenwoordig heeft, maar mijn gutfeeling zei dat: als je die keuze maakt, zal je ook voor meer extreme aanpassingen kiezen. Misschien is het een verkeerd uit de hand gelopen mutatie geweest, misschien niet. Wat ik wél weet, was dat hij in een delirium zat waar snel iets aan gedaan moest worden. Ik heb hem daarom naar het plaatselijke ziekenhuis gebracht in de hoop hem weer terug te krijgen naar een normale staat. Daar kwamen ze erachter dat zijn hart nog steeds stilstond. En het was vijfenhalve maand geleden dat hij verdween.’
Hij kijkt veelbetekenend naar me op: ‘Zulk soort veranderingen hebben er dus plaatsgevonden. De mens maakt alleen soms wel vreemde keuzes.’
Ik knik schaapachtig in de hoop dat zijn verhaal nog niet afgelopen is, maar met een knipper van mijn ogen is hij opeens weg, weggepoeft als een goochelaar van het podium; hij is nergens te bekennen. Met harde rukken van mijn hoofd kijk ik rond me heen, maar hij is compleet verdwenen.
‘Hallo?’, probeer ik. Het blijft stil.
De ruimte begint opeens verraderlijk koud te worden en na 10 minuten besluit ik dan maar om weg te gaan; waarschijnlijk moest hij ergens anders wezen waar het belangrijker was. Of, nou ja, ik weet het eigenlijk ook niet, hij is regelmatig als los zand tussen mijn vingers.

0 reacties

Laat een antwoord achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*