Kunst, Design en Literatuur Online Shop (X=Y)

Rubriek: De raadsels en de man

Waarom ik elke keer weer naar hem toe ga weet ik niet precies. Het is niet dat hij dichtbij woont namelijk. Integendeel, soms moet ik bijna een half uur reizen om bij zijn appartementencomplex te komen. En wat ik dan bij hem ga doen is eigenlijk ook nooit helemaal duidelijk. Het is vreemd, maar op een of andere manier heeft hij me gegrepen. Hij heeft iets dat me intrigeert. Als een goedhartige hypnotiseur heeft hij me in zijn macht en ik vind het niet erg. Absoluut niet zelfs.

Zijn appartement op de bovenste verdieping kijkt zachtjes uit over de stad. Geregeld zit hij mijmerend naar buiten te staren als ik binnen kom lopen; zijn blik als een verrekijker met lange voelsprieten. Hoe vaak hij al niet heeft gezegd dat je bij helder weer de kust kunt zien weet ik niet meer. Waarschijnlijk is het nooit helder geweest wanneer ik er was, want ik heb daar nog geen bewijs van gezien. Maar ik geloof hem op zijn woord.
Er hangt een mysterieuze sfeer rond hem en rond zijn woning. Iets klopt er niet. Het is alsof hij niet vastgeklonken zit aan onze wereld en hij soms als een geest kan verdwijnen om andere werelden te bezoeken dan de onze. Vrij kun je het misschien noemen. Maar ook ongrijpbaar en af en toe gewoonweg vreemd. Maar zo is hij gewoon, daar kan ik niks aan veranderen. En dat wil ik ook niet.
Het feit dat hij altijd blij is om me te zien geeft me een goed gevoel. Hij is daarentegen niet op een manier blij zoals dat bejaarden dat zijn, hij zit niet om een praatje verlegen en is absoluut niet eenzaam. Misschien ziet hij in mij een zielsverwant. Een gelijksoortige. Het kan ook zijn dat ik me dat wil doen geloven, want ik kan hem eigenlijk maar heel moeilijk peilen.

Vandaag start hij met een verhaal. Verhalen daar houdt hij van. En om eerlijk te zijn: ik ook. Hij kan zo gepassioneerd en meeslepend vertellen dat ik me soms helemaal verlies in zijn woorden. Hij slokt me op in de werelden die hij beschrijft en laat me vergeten hoe lelijk het buiten kan zijn.
Het gaat deze keer over een onfortuinlijke man uit India die om een of andere reden continu witte rook uitademende. Al vanaf zijn geboorte. Alsof hij bij elke inademing een flinke trek van een sigaret nam. Dokters en specialisten konden niet vinden waar het aan lag, de rook was namelijk wel een natuurlijk product, een biologische mix van zuurstof, CO2 en waterdamp. In zijn longen was ook niks te zien, er waren geen afwijkingen te vinden die er op wezen waarom dit vreemde fenomeen plaatsvond. Het was er gewoonweg. Als een voldongen feit. Pretentieloos.

“Een einde aan zijn levende hel.”

De man had weinig te lijden onder zijn kwaal, er waren geen bijwerkingen van pijn of iets dergelijks. Daarentegen had het logischerwijs een flinke psychologische invloed; hij werd een outcast en verstoten uit de maatschappij. Als een freak.
‘De mens reageert angstig als hij iets ziet dat hij niet gewend is. Heel begrijpelijk, maar ook heel dom’, zei hij hoofdschuddend en liet zijn stem bedenkelijk klinken.
‘Mutaties worden op die manier uitgebannen. En dat hebben jullie nodig, om te kunnen overleven in deze tijd.’
De onfortuinlijke man kon niet omgaan met het sociale isolement en wilde daarom een einde maken aan zijn mentale lijden. Een einde aan zijn levende hel. Met zijn dood wilde hij iedereen bewust maken van hun pesterijen, en misschien ook wel een politiek statement maken. Daarom koos hij er voor om zichzelf midden op het dorpsplein in brand te steken. Op een vrijdagmiddag, net voor het gebed.
In een kleermakerszit overgoot hij zichzelf heel stelselmatig met benzine en hij liet geen enkele plek onberoerd. Zonder enige vorm van twijfel stak hij vervolgens het brandbare goedje met een luciferstrijk aan. De steekvlam die er ontstond was intens en het vuur begon fel te branden. Vrouwen gilden en een menigte vormde rond hem. Ze probeerden de vlammen te doven, maar hoeveel water ze er ook overheen goten, het vuur bleven branden en zwol bij elke golf water alleen maar aan, als een brandende olie-pan op het fornuis.
Een heel etmaal lang heeft de man als een fabrieksschoorsteen bloedrode rook uitgestoten. De rookpluim was tot kilometers ver in de omtrek te zien en de stank die het produceerde was onmenselijk: een mix van geroosterde botten en bedorven woede. De complete omgeving werd doordrenkt van de geur. Maandenlang hadden de mensen het nog in hun huizen hangen, alsof de man zichzelf met een dun laagje as over de dorpen had gewroken.
Of dit de mens er anders naar heeft laten kijken is maar de vraag, want nog voordat hij ophield met smeulen ging de wereld gewoon door zonder er ooit over te praten. Heel cru. Alsof de man nooit had bestaan.
‘Het is daarom belangrijk om open te staan voor mutaties. In welke vorm dan ook’, zei mijn verhalenverteller met een diepe zucht.

“Zijn ogen liepen langzaam leeg.”

Met het eindigen van zijn zin was hij ineens afwezig, alsof dit verhaal hem herinnerde aan een weggestopte gedachte of een nare gebeurtenis. Hij keek me doordringend aan met zijn hel-grijze pupillen maar zonder echt te kijken. Zijn gezicht ging op slot. Ik wist even niet hoe ik moest reageren en schoof een beetje heen en weer op mijn stoel. Meestal eindigt het niet zo abrupt en kletsen we nog wat na. Zijn ogen liepen alleen langzaam leeg, totdat hij me niet meer zag en voor mijn gevoel dwars door me heen keek.
‘Ben je er nog?’, zei ik voorzichtig met een onzekere grinnik.
Zonder te antwoorden draaide hij traag zijn hoofd terug naar het uitzicht van de stad. Ik deed nog een poging om hem een vraag te stellen, maar besloot dat het goed was zo.
Vandaag heb ik hem zo achter gelaten; opgeslokt door afwezigheid. Maar ik weet: morgen brengt altijd iets nieuws.

0 reacties

Laat een antwoord achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*